Zeg maar Zjuul

Fragment:
Dan staat Zjuul weer voor haar oude huis. Er hangen nieuwe gordijnen voor de ramen. Het is het eerste wat ze ziet. Dan zwaait de voordeur open en daar staat Simone, op haar sloffen met haar brilletje nog op. Haar ogen gaan wijd open van verbazing en dan van blijdschap. Ze neemt Zjuul mee door de gang. In de keuken gaat Zjuul aan tafel zitten, op haar oude plekje bij het raam.
Simone laat de ketel vollopen. ‘Natuurlijk mag je blijven.’ Ze kijkt Zjuul aandachtig aan vanachter haar brilletje. ‘Weet Suzan wel waar je bent? En Gerard? Zullen ze zich niet afvragen waar je bent?’
Zjuul schokschoudert, wijst naar de citroenplant die nu in een grote blauwe pot staat, op een tafeltje. ‘Je hebt ‘m verplaatst.’
Ze luistert naar het aanslaan van de geiser. Het gesuis van het water op het vuur. Het geklets van blote voeten boven in de douche zit. ‘Is Ruud nu pas wakker?’
Simone schenkt het water op en komt tegenover haar zitten. ‘Er zijn wel een paar dingen veranderd sinds je bent verhuisd …’
Zjuul knikt. Ze staart naar de foto op de koelkast. Alle huisgenoten samen, na de voetbalwedstrijd in het park. Haar vader staat aan de buitenkant met de ontspanner van het fototoestel opgeheven in zijn hand. Iedereen lacht. Ze kijkt strak voor zich uit. Ineens branden haar ogen. Ze staart naar de foto, hoopt dat de tranen wegblijven, achter haar ogen. ‘Ik ben in de galerie geweest, maar hij was er niet.’ Ze voelt hoe de tranen gevaarlijk dicht tot de randen van haar ogen komen.
‘Ach meid…’ Simone’s stem is nu heel dichtbij. ‘Je weet toch hoe hij is.’
Zjuul zit met haar ellebogen op de tafel. Ze drukt haar handpalmen tegen haar wangen en kijkt strak voor zich uit. Maar ze kan het niet langer tegen houden. Langzaam drupt er een traan over het randje van haar wimpers. En dan nog een. Ze lopen omlaag langs haar wangen.
‘Nee’, zegt ze, ‘dat weet ik niet.’
Ze haalt haar neus op, probeert ze weg te likken, maar het helpt niet. De ene na de andere traan petst op het tafelblad. En het lijkt of ze alleen maar harder gaan stromen. In haar keel zit een dikke prop die ze maar niet weg kan slikken.
Ze voelt een arm om haar schouder, Simone’s arm. Haar hand warm op haar bovenarm. ‘Och meid toch’, zegt ze alleen maar.
En dan lijkt het of de prop uit zichzelf omhoog springt in haar keel. Het maakt een snikkend geluid en dan begint ze pas echt te huilen, met een schorre keel en grote snikken uit haar buik. Ze hoort zichzelf huilen. Ze schaamt zich voor het geluid. Maar het lucht vooral op.
Na een poosje veegt ze haar ogen af. Nee’,  zegt ze dan opnieuw, ‘ik weet niet hoe papa is. Ik weet alleen wat mama over hem vertelt en dat is niet zo positief.’
Ze haalt haar neus op en duwt haar afgebeten duimnagel in de kerf in het tafelblad. Stuurs kijkt ze naar de kras in het hout. Ze heeft bijna geen nagel meer maar toch duwt ze hard. Ze wil de tafel pijn doen. En zichzelf.
Ze kijkt Simone aan. ‘Hoe is hij dan?’ Haar stem is kleintjes maar haar kin steekt ze uitdagend naar voren. ‘Hoe is hij dan volgens jou?’
‘Hij is een zwerver. Een dromer’, zegt ze zachtjes.
‘Nietes.’ Zjuul schudt haar arm van zich af. Niemand mag haar vader meer afvallen en zeker Simone niet. Simone schudt haar hoofd. ‘Hij heeft hoge idealen en dat is juist prachtig. Veel mensen zijn die kwijt. We hebben mensen als Max juist hard nodig,’ zegt ze zacht. ‘Max is net zo nodig als … nou ja.’ Ze giechelt. ‘Als zout op je frites. Of als Erwin Krol met het weer van acht uur.’

© Inez Risseeuw 2012

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *