Het achtste sacrament

Ze is achter haar voordeur blijven staan, de bezem in haar gebalde handen. In haar hoofd weerklinken de hoge kinderstemmen met hun treiterig refrein.
‘Madeleine parl’aux chats…’
Ze rukt ze haar voordeur open en stuift het paadje af tussen de fruitbomen door. Ze buigt tuurt langs de hoge meidoornhaag, de stoffige weg af.
Het is het enige genoegen dat ze mag smaken; ze uit elkaar zien stuiven, als spreeuwen voor hagelschot, als de konijnen in haar moestuin. De meisjes zijn het ergst. Met hun glimlachjes en strikken.

Maar nergens het geklepper van oorlogsklompjes, geen wegstervend geschater. Geen kind te bekennen. Alleen de zucht in haar vingers om ze bij hun haren te grijpen, over het pad te sleuren en het klagelijk gemekker van haar geit, in zijn kaalgevreten cirkel gras.
Ze legt haar hand op haar borst, om het bonzen te stoppen.
Drie jaar geleden, toen de bezetting een feit was, is het begonnen. Sindsdien zingen de dorpskinderen het plagerig refrein terwijl ze achter haar heg langs lopen, op weg naar school of weer naar huis. Eén regel die uitgroeide tot een rijm.
‘Mad’leine parl’aux chats.
Mad’lein’ ne parle pas.
Elle parle aux begonia’s.’
Als krekel getjirp dringt het overal binnen, bespeelt het steeds dezelfde zenuwsnaar, overstemt het op den duur alle andere geluiden in en om haar huis; het vredige tikken van de klok in de mooie kamer. Het gemekker van haar geit aan zijn paaltje. Het tjilpen in haar boomgaard.
Uit de richting van het dorp klinkt het zondagse klokgelui. Ze zitten allemaal in de kerk, gedwee als lammetjes tussen hun ouders in. Zelfs gekke Francine ontbreekt niet in de zondagsmis.
Ze spuugt op de grond, draait zich om en beent met lange passen terug naar haar voordeur en door haar gang naar de achterzijde van het huis. Ze heeft teveel te doen om hier lang stil te staan.

De bonenranken in haar moestuin hangen slap. Voor het naderend onweer losbarst moeten ze gewied. Ze stoot haar schoffel in de droge grond. Om haar voeten stuiven okerkleurige wolkjes op. De grond is droog en hard, als het eelt in haar handpalmen. Ze schoffelt met haar ene hand, graait met de andere in de grond en trekt in een keer een heel  wortelstelsel op. Akkerwinde vergaat nooit, blijft koppig terugkomen. Net als zij.
Leunend op haar schoffel, speurt ze de hemel af. Geen gestaag naderend gebrom. Enkel vederwolken hoog in de lucht. Ze staart voorbij het hek, over de velden.
Sinds een jaar gaan er ’s nachts lange treinen langs, in de richtig van het Oosten. In de morgen liggen er soms briefjes langs het spoor. In haast geschreven op snippers papier of karton. Boodschappen voor thuis, soms moeilijk te ontcijferen. Matthieu van de bakker heeft zelfs een trouwring met een diamant gevonden, gewikkeld in een briefje dat hij gewetensvol heeft gepost. De ring heeft hij gehouden, om later terug te kunnen geven, heeft hij gezegd. Hij is de enige van wie ze dat kan geloven.
Ze schraapt haar keel, spuugt, veegt langs haar wang. Onweersvliegjes. De lucht drukt, alsof twee enorme handen – handen van God, alleen gelooft ze daar niet langer in  – de lucht langzaam maar onafwendbaar samenpersen. Ze voelt het samengeperste vocht neerslaan op haar voorhoofd en onder haar oksels.
Voor het einde van de middag gaat het zeker onweren.
Ze buigt zich weer voorover. Nog twee rijen te gaan. Voor de regen moeten ze gewied. Het onkruid valt op de droge aarde, slap als pas geplante sla. Als ze rupsen tegenkomt, knijpt ze ze fijn, tussen duim en wijsvinger, zoals haar vader altijd deed. De boontjes zijn klein dit jaar, maar het zijn er veel. Met wat geluk kan ze een extra weckpot vullen en ruilen. Tegen koffie of zelfs een zijde spek. Koortsachtig schoffelt ze verder.
Tenslotte zet ze de schoffel tegen de buitenste bonenstaak, harkt het slappe onkruid bij elkaar en gooit het op de kruiwagen naast het pad. De lucht wordt groen. De vogels zwijgen. Haar jurk plakt tegen haar rug. Haar armen trillen als ze de handvatten van de kruiwagen opneemt, hem op een holletje naar het einde van de tuin wielt en het onkruid uitstort op de hoop.

Van achter de heuvel komt het eerste gerommel aangerold. Boven de velden pakken zich de eerste onweerswolken samen. Ze rent om het huis naar haar boomgaard waar de geit die nog altijd aan haar paaltje staat. Met de geit onwillig aan zijn touw achter zich aanslepend rent ze naar de schuur, stoot ze de deur open met haar elleboog, schoudert zich door de kier naar binnen. Een streep wijder wordend licht toont de juten zakken, het aardappelhok, de geitenbox.
In de box, tegen het achterschot zit een kind, schuin gezakt, als een vogelverschrikkertje. Het jasje lichtblauw, de ogen als zwarte glimmende knoopjes. Te klein om belletje te trekken. Verder heeft ze niet veel verstand van kinderen. Ze wil haar hand uitstrekken naar de roerloze gestalte, denkt dan aan de wagons in de nacht en grijpt in plaats daarvan het halstouw van haar geit. Met haar rug naar het kind gekeerd tijdens het melken weet ze de ogen onafgebroken op zich gericht. Als gaten waarachter een onpeilbaar duister schuilt.
Als beide uiers leeg zijn stommelt ze met de halfvolle emmer aan haar hand, terug haar keuken in. De treinen gaan haar niet aan. Ook niet wat er wordt vervoerd of uitgegooid.

Binnen loopt ze alle ramen na, controleert ze de verduisteringsgordijnen en draait ze de achterdeur op slot. Tegen het risico dat leven heet en dat, net als gifgas, onder de deuren doorkruipt, de huizen in.
Dan overvalt haar de gedachte aan hoe lang het kind daar al gezeten heeft, zonder drinken, zonder eten. Wat als het zo meteen gaat huilen? Als iemand het vanaf de weg kan horen?
Ze rent terug naar de schuur, door het duister van het onweer, buigt zich over het schot van het geitenhok. Het zit nog steeds in dezelfde houding, in het lichtblauwe jasje en laat zich tillen, zonder verzet maar zwaarder dan ze heeft verwacht.
Met het kind als een overvolle gieter voor zich uit rent ze over het pad naar de veiligheid van haar keuken. Net voordat de regen tegen de ramen slaat.

© Inez Risseeuw 2018

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *